“Psychiatrie is een knooppunt waar heel wat maatschappelijke problemen samenkomen”

Dirk De Wachter

Het interview met Dirk De Wachter verscheen in INFUUS 20.

Dirk De Wachter heeft bijna veertig jaar colleges, consultaties, wetenschappelijk werk en lezingen op de teller staan. Hij is dé expert bij uitstek om een stand van zaken te maken van de psychiatrische hulp in ons land anno 2024. 

Hoe het vandaag met zijn gezondheid gaat? “Zo goed als het kan. Ik werk naarstig verder, al merk ik wel dat ik af en toe iets sneller gas moet terugnemen”, klinkt het. “Maar ik blijf flink wat consultaties doen. Ik vind het belangrijk om de vinger aan de pols te kunnen houden.” Binnen twee jaar wacht het emeritaat, maar aan stoppen denkt Dirk De Wachter nog niet. Hij grijnst: “Ik wil consultaties blijven doen tot mijn 94ste, al zal ik in deze toch ook goed naar mijn vrouw luisteren. In mijn vak biedt het leven zelf – en daarmee bedoel ik net zo goed de eigen levenservaring – immers een grote toegevoegde waarde.” 

Dirk De Wachter, Psychiater

U zit bijna veertig jaar in dit vak: wat zijn de belangrijkste veranderingen en nieuwe trends die u in al die jaren in uw vakgebied heeft zien opduiken? 

Dirk De Wachter: “Toen ik nog als assistent aan de slag was, speelde de neurose als pathologie een nog veel prominentere rol dan vandaag. In de loop der jaren heeft het externaliseren – het naar buiten brengen van psychische klachten – fel aan belang gewonnen. Dit vertaalt zich bijvoorbeeld concreet in agressie, zelfverminking of zelfmoordpogingen. De Freudiaanse tijd, als ik dat zo mag verwoorden, waarbij patiënten pas na veel aarzelen en heel moeizaam konden en durfden verwoorden wat er in hun binnenste speelde, hebben we intussen fel zien evolueren. Dat is in mijn ogen een belangrijke en consistente maatschappelijke evolutie.” 

We hebben wellicht nooit eerder zoveel communicatiemogelijkheden gehad. Toch lijkt het alsof meer mensen zich vandaag eenzaam voelen. Hoe kan dat? 

“We zijn bijzonder geconnecteerd, onder meer met dank aan de sociale media, die eigenlijk best wel een fantastische uitvinding zijn. Dit gezegd zijnde: in tijden van angst, verdriet of miserie is de directe nabijheid van mensen echt wel cruciaal. We hebben intussen ook geleerd dat al die schermen de menselijke contacten paradoxaal genoeg soms ook afschermen, waarbij een groeiend aantal mensen blijkbaar vastzit in pseudo-contacten. Daar moeten we in de zorg aandacht voor hebben. Een stukje eenzaamheid is wellicht onvermijdelijk in de wereld, dat moeten we aanvaarden, maar de Westerse wereld legt wellicht net iets te veel nadruk op het belang van het ‘ik’. Daarmee bedoel ik: alleen presteren, de medemens eerder beschouwen als een concurrent dan als iemand die je nodig hebt, een doorgeslagen individualisme op vele vlakken. Terwijl alle grote prestaties van het menselijke vernuft het resultaat zijn van samenwerken.” 

Het is een maatschappelijk spagaat: we leven hier bijzonder comfortabel, maar tegelijk leidt ons levenswijze ook tot meer menselijke ‘uitval’? 

“Inderdaad, en laat dit nu ook een van de redenen zijn waarom ikzelf jaren geleden al besloten heb om mijn consultatieruimte te verlaten en me ook maatschappelijk uit te spreken. Het gaat al lang niet meer uitsluitend over het hersenweefsel van mijn patiënt in de besloten ruimte van mijn praktijk, we moeten ook de maatschappelijke uitdagingen en de patronen die tot bepaalde pathologieën bijdragen durven benoemen. De minister kan het ook niet alleen oplossen: dit is een verantwoordelijkheid van ons allemaal. 

Tegelijk wil ik benadrukken dat we ook in zeer goede tijden leven: in vergelijking met vijftig jaar geleden is het leven een pak comfortabeler geworden. Ik zie een soort van paradox: net doordat we het nu beter hebben, gaan we ook sneller hulp zoeken wanneer we ons niet goed in ons vel voelen. Dat was vroeger veel moeilijker; de hulp was immers amper aanwezig of bereikbaar. Nu leven we in een maatschappij waarin de aanwezigheid van die zorg ook wordt opgemerkt, en gelukkig maar.” 

Is de psychiatrie in ons land vandaag niet eerder een soort opvangnet voor wie niet meer meekan in de steeds veeleisendere maatschappij? 

“Het antwoord op die vraag luidt uiteraard volmondig ‘ja’. We krijgen almaar vaker gevallen van zware agressie of intoxicatie te verwerken, ook omdat het natuurlijk een stuk menselijker overkomt om mensen naar een ziekenhuis te brengen dan ze in een politiecel te stoppen. We zouden de instrumenten moeten krijgen om die mensen op te kunnen vangen en te behandelen. Maar als je ’s nachts met amper twee zorgverleners een gesloten acute psychiatrische afdeling moet bemannen, blijven er weinig andere opties over dan repressieve maatregelen. Andere organisatiemodellen – kijk bijvoorbeeld naar Scandinavië – bewijzen dat, met voldoende personeel, het perfect mogelijk is om mensen niet op te sluiten of vast te moeten binden. Dat ligt gevoelig omwille van de financiering, maar ook de rekrutering van geschikt zorgpersoneel vormt een steeds grotere uitdaging. De zorg kampt – zoals het onderwijs – met een stevige maatschappelijke onderwaardering.” 

U zegt dat psychiatrische zorg vroeger minder toegankelijk was. Impliceert dat dan ook dat mensen toen – uit pure misserie – wellicht onderling beter voor elkaar zorgden wanneer er zware problemen opdoken? Met andere woorden: was de informele zorg vroeger sterker? 

“Dat zou ik niet durven bevestigen. Mensen met een ernstige psychiatrische kwetsbaarheid – denk bijvoorbeeld aan schizofrenie – werden toen uit hun leefomgeving geplukt en leefden vervolgens levenslang binnen het domein van de psychiatrische ziekenhuizen. Ik zou het dorpse leven van toen zeker niet te veel romantiseren, al denk ik wel dat sociale cohesie en inclusie bijzonder belangrijk zijn om te voorkomen dat mensen heel snel of diep afglijden. Wat meer voor elkaar zorgen, kan preventief absoluut een positieve impact hebben.” 

Voelt u zich soms een prediker in het duister? 

“Toch niet. Ik sta soms behoorlijk in de schijnwerpers, en krijg daarbij ook veel applaus. Anderen zetten me dan soms weer weg als een apocalyptisch denker, omdat ik heel maatschappijkritisch uit de hoek durf te komen. Nu, ik ben vooral een psychiater die oplossingen probeert aan te reiken, maar die daarbij vaak op organisatorische en budgettaire bezwaren en obstakels botst.” 

U staat op twee jaar van uw emeritaat: wat zijn in uw ogen de grootste uitdagingen binnen uw vakgebied waar we de volgende jaren concreet werk van moeten maken? 

“We moeten vooral werken aan de twee kanten van de curve. Daarmee bedoel ik dat we enerzijds meer nadruk moeten leggen op preventie, en werken aan een inclusieve en samenhorige samenleving waarin stress en druk minder ruimte krijgen. Anderzijds moeten we ervoor zorgen dat de meest kwetsbare mensen – zij die psychisch ernstig en langdurig  ziek zijn – niet uit de boot vallen. In Europa draagt onze sociale zekerheid daar in grote mate toe bij, maar dat wordt ook een steeds grotere uitdaging die we moeten blijven aangaan. Ik besef maar al te goed dat ikzelf het belang van de vermaatschappelijking van de zorg (het inzetten op andere maatschappelijke initiatieven, het slopen van de muren van psychiatrische afdelingen en het afbouwen van het aantal bedden, nvdr) mee heb uitgedragen, maar we mogen niet de illusie wekken dat dat voor iedereen werkt. Een kleine minderheid van de patiënten zal altijd nood blijven hebben aan langdurige, echt residentiële zorg.” 

Tot slot, u bent de voorbije maanden zelf ook patiënt geworden. Heeft dat de manier waarop u vandaag met uw patiënten omgaat, veranderd?  
Ik moet daar een misschien wat arrogant klinkend antwoord op geven: nee, eigenlijk niet. Mijn denkbeelden over de zorg zijn net bevestigd. Ik heb zelf vastgesteld hoe belangrijk verpleegkundigen aan je bed zijn, ik heb gezien hoe bemoedigend het is wanneer een arts even de tijd neemt om naast je bed te komen zitten en je trakteert op een babbel of een vriendelijk woord. Mijn ogen zijn op dat vlak niet open gegaan, ze waren al open.” 

LEES MEER OP INFUUS.BE

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

REACTIES